Art Kallen


LANDBOUWBELANG




Binnenkort hoopt Art Kallen af te studeren als architect. Zijn ontwerp: een Landbouwbelang dat wél recht doet aan de historie. „Want de gemeente Maastricht lijkt deze bijzondere plek niet te willen behouden.”

Art Kallen (31) keek als 5-jarige vanuit zijn slaapkamerraam uit over de Maas. Zag het Landbouwbelang en fantaseerde over dat indrukwekkende gebouw, waar in werkelijkheid weinig gebeurde omdat het toen al ruim twintig jaar leegstond. Pas acht jaar later (in 2003) ontstond de huidige vrijplaats. Later, als jongere, kwam Kallen er wel eens bij een feestje, maar hij behoorde ‘absoluut niet’ tot de harde kern. „Wel ben ik altijd geïnteresseerd geweest in rafelranden van een stad, zaken die niet vanuit autoriteit, maar juist door mensen worden opgebouwd. Plekken waar niet alles is doorgedacht, niet klinisch, zoals meestal, waardoor alles op elkaar begint te lijken. Het Landbouwbelang is een tegenhanger van het sjiek en sjoen.”

Die belangstelling resulteert in zijn afstudeerproject rond het Landbouwbelang. Eerst studeerde Kallen planologie, daarna stedenbouw en nu architectuur. De huidige Amsterdammer koos voor een idealistisch plan. „Toch is mijn ontwerp niet puur theoretisch, de kwestie speelt nu echt. Ik wil laten zien wat er óók zou kunnen. En wat je weggooit aan waarde voor de stad. Om die waarde te borgen, moet je juist zoeken naar een gedurfd ontwerp met visie op stad en gebouwd erfgoed.” De geschiedenis van het Antonietenklooster en de stadswal (van beide is niks van over), de kleibunkers van de papierfabriek, de opslag van het Landbouwbelang zelf en tegenwoordig de vrijplaats. „Dit is een kantelpunt: sluit dit gebied aan bij het rationele, aangeharkte, nette? Of kan de afwijking blijven bestaan, wel met meer aansluiting bij het huidige Maastricht.” Behoud van het huidige gebouw is voor de gemeente een pré, maar zeker geen keiharde voorwaarde. „Ik lees er geen wil in om iets van de plek te behouden, alleen een nieuw stuk stad dat veel oplevert.” Kallen ziet in de vrijplaats elementen van een kloosterorde, met een publiek deel (de grote hal met skaters), een collectief deel (de keuken en de gym) en een besloten deel (de leefruimtes). „Die ongedwongenheid kun je niet ontwerpen, wel maak ik als architect kaders die de gebruikers zelf kunnen invullen.” Het gebouw tussen grote hal en klei-opslag streept Kallen door, voor een betere verbinding van het Sphinxkwartier met de Maas. „Uit het pakhuis snij ik een stuk uit de verdieping voor een sportzaal, om nieuwe gebruikers het gebied in te trekken. De andere ruimtes blijven te gebruiken als ateliers en werkruimtes. De grote hal blijft intact voor allerlei evenementen.”

In de klei-opslag staan acht bunkers, vierkante betonnen silo’s van elk veertien meter hoog en negen meter breed. Via de markante kranen aan de Maaskant konden ze gevuld worden. Kallen snijdt openingen uit de zijkanten van de betonnen kolossen, voor een woongebouw van drie verdiepingen. „Daarbinnen kunnen mensen als een collectief hun woonruimte op hun eigen unieke manier invullen. Ook gezinnen met kinderen.” Daarboven komt een opvallende houten opbouw van diverse verdiepingen, voor woongroepen, oftewel individuele kleinere wooneenheden met een groter collectief gebied, waar mensen intensief samenleven. „Samen hou je de spirit van een vrijplaats op een moderne manier overeind.”

Steun zou Kallen krijgen als de aanvraag van Bond Heemschut wordt gehonoreerd om van de gebouwen rijksmonumenten te maken. Maar hoe verhoudt zijn variant zich tot de actuele, zakelijke werkelijkheid? De bouwer moet immers minstens 18 miljoen op tafel leggen voor de grond. Kallen gaat uit van 9.000 vierkante meter wonen. „Ik ga kijken of ik het gebouw kan uitbreiden naar de gemeentelijke eis van 20.000 vierkante meter.” In februari wijst een selectiecommissie drie consortia aan die in de race blijven om op deze plek te mogen bouwen. Stel dat een van die bedrijven zich bij Kallen meldt? „Dat heeft alleen zin als het een bedrijf is dat er iets bijzonders van wil maken. In dat geval ben ik supergeïnteresseerd.”

- Joos Philippens, De Limburger (12 januari 2022)